Meg Stuart
Damaged Goods
Jozef Wouters/Decoratelier
Artikels
Interviews
Workshops
TANZNETZ, Phantomschmerz und Katharsis - Frank Weigand (02/09/2007) [ Duits ]
ETCETERA, De zerk van ons verlangen - Lieve Dierckx (09/2007)

Philipp Gehmacher en Meg Stuart in Maybe Forever.

In Maybe Forever, het eerste gezamenlijke project van Meg Stuart en Philipp Gehmacher, krijgt stilstaan in dans een nieuwe invulling die nauw luistert naar de tijdsgeest. Vervreemding en melancholie moeten wijken voor een kern van harmonie die ontroert door kracht en kwetsbaarheid. De impact doet opnieuw geloven in authentieke aanwezigheid binnen een theatraal kader.
Meg Stuart en Philipp Gehmacher staan in Maybe forever als choreograaf en danser voor een verschuiving in tijdsbeeld. In 1991 was het debuut van Meg Stuart - Disfigure Study (1991) - een registreren, illustreren, weergeven en becommentariëren van vervreemding, snelheid en versplintering in een voortgejaagde tijd. De solo zonder beweging die ze een jaar later maakte voor een man die naar zijn herinneringen reikt hield een uitgesproken politieke boodschap in. Algemeen leek stilstaan in dans gebruikt te worden als een politiek, rationeel of conceptueel statement, aan het lichaam opgelegd of toegevoegd.
Philipp Gehmacher gebruikt stilstaan en onderbreking om de representatie van vervreemding naar binnen te halen, in de realiteit van het eigen, zeer kwetsbare lichaam en er een mogelijkheid voor transformatie en vernieuwing te creëren. Door van dit gegeven de nexus van de voorstelling te maken kan Maybe Forever gelezen worden als uitdrukking van een hoge nood aan puur individuele overlevingsstrategieën - en ook van persoonlijke verantwoordelijkheid - binnen wat Peter Sloterdijk omschrijft als het hyperkinetische project van de moderniteit. Daarnaast toont Maybe Forever dat er naast alle technische en virtuele in- en excorporaties een kern aanwezig blijft die hevig ontroert in zijn herkenbaarheid. De ‘groten’ van elke generatie weten die telkens opnieuw hier en nu voor ons neer te leggen.

Verwantschap

De impact en de aard van hun respectieve danstaal moest Philipp Gehmacher (Salzburg, 1975) en Meg Stuart (New Orleans,1965) wel tot zielsverwanten maken. Weg van thuis drukten ze alle twee van meet af een stempel op het dansveld met een idioom dat zich op gelijkaardige manier liet beschrijven.
Wat hen verbindt is hun heldere en eigenzinnige kijk op vervreemde lichamen en de manke communicatie die er oorzaak en gevolg van is. Divergentie is er ook, in de manier waarop ze hun visie omzetten in podiumkunst. De verschillen in hun aanpak werden mooi geïllustreerd in de voorstellingen die ze elk apart eerder dit jaar in Kaaitheater gaven.

In februari zagen we As if there’s no tomorrow van Gehmacher, een bezwerende voorstelling met drie dansers in een - op de voor Gehmacher obligate batterij geluidsboxen na - naakte ruimte waarbinnen de disfunctie van lichaam, tijd, ruimte en communicatie afgetast wordt. Gehmacher wil niet uitleggen: ‘Als een algemene regel wil ik in mijn stukken niets dat uitlegt wat ik doe – het zou altijd gewoon het moeten zijn, in het moment. … In tijd en ruimte is dat altijd iets wat ik doe – de tijd ontregelen, de ruimte ontregelen – zo ontstaat betekenis voor mij en dat is het formalisme van mijn werk.’ Met het vocabularium: blind kijken, reiken, tasten, geaborteerde aanraking, aarzelen, horten, wankelen, neerzijgen op handen en knieën, ontspint zich zo ook in As if there’s no tomorrow een repetitieve cyclus van vertraging en versnelling, op omwentelingen in tijd en ruimte. Achteraf kleeft mijn geheugen er het etiket ‘klassiek’ op. Klassiek als in tijdloos, universeel.

Naast dat cyclische, naar binnen gekeerde minimalisme van Gehmacher had Blessed van Meg Stuart, dat in april in première ging, meer weg van een (ijzersterk) barok epos.
In een kartonnen decor van beeldend kunstenares Doris Dziersk wikkelt zich in vijf tableaux een ecologische apocalyps af rond een man, danser Francisco Camacho, die uit ritme is met zichzelf en zijn omgeving. Zelfs zijn verdwazing houdt geen gelijke tred met de ineenstorting van de wereld om hem heen. In een heldere lineaire structuur wordt in Blessed een welhaast politieke boodschap afgeleverd die naadloos in bewegingsmateriaal, scenografie, kostuums en belichting verweven is. Meg Stuart haalt nadrukkelijk de buitenwereld binnen in haar werk, in thematiek van milieu en vervreemding én in de persoon van kunstenaars en muzikanten die met haar samenwerken.


Voor altijd, misschien

Twee dansgeneraties in fasen van respectievelijk ‘cyclisch binnen’ en ‘lineair buiten’ rond en langs een kern van vervreemding. Op welk punt zouden ze elkaar ontmoeten? Hoe slagen ze er in slagen de som te overstijgen - het punt te vinden waarop één plus één gelijk is aan drie? Mijn stilaan overprikkelde nieuwsgierigheid maakt dat ik twee keer achter elkaar ga kijken naar Maybe Forever.

Op een basso continuo van lieflijke natuurklanken, gorgelend water en kwetterende vogeltjes zet in een grijzige dageraad een duet in tussen een man en een vrouw. Hij sleept zich over de podiumvloer naar haar toe als een man in de woestijn op zoek naar een druppel water. Als ze naast hem ligt en zich aan hem vastklampt, pint hij haar agressief op de vloer met haar hals gevangen in de holte tussen zijn romp en elleboog. Als ze even later rechtstaan probeert hij opnieuw: hij reikt naar haar, blind, en omhelst haar met gestrekte voorarmen, handpalmen naar boven. Dan gaat hij van haar weg om zijn gebaar, als een offer, knielend neer te leggen op de grond. Zij kleeft zich opnieuw aan hem vast, hij zeult haar mee terwijl hij zich van haar verwijdert. Keer op keer verliezen ze het pleit: er is geen ontmoeting.

Deze kleine cyclus is de inzet van wat op het eerste gezicht te omschrijven valt als een parabel over verlangen, verlies en melancholie met twee ex-geliefden die hun verhaal vertellen in een opeenvolging van dansduetten en -solo’s, alleenspraken en songs. De protagonisten zijn een man (Philipp Gehmacher), een vrouw (Meg Stuart) en een muzikant (Niko Hafkensheid), de laatste een hypercoole solitaire choreut, die af en toe een grapje debiteert en zo de sfeer wat lichter maakt. Begeleid op zijn elektrische gitaar becommentarieert hij wat zich afspeelt in pretentieloze evergreens die dagenlang in het geheugen rondzweven. ‘Maybe forever’ zingt hij ‘this day is taking me out/and I wonder if I’m now on my powerful side/this day comes true/when my wishes all slip out. Daarmee kondigt ook het koor tijd en verlangen aan en dat neem ik als toeschouwer verder mee in de voorstelling.

Elk aspect van de voorstelling lijkt een bouwsteen die de tragiek van gemiste ontmoeting en onmogelijk heden illustreert. Keer op keer moet het heden wijken voor een melancholisch rouwproject: verlangen naar wat niét hier en nu aanwezig is.
De tijd vertaalt zich in wat voorbij is en wat had gekund: liefde, herinneringen en wensen.
Naast de liedjes, is de melancholie verweven in elk van de attributen op de scène. Tegen de achterwand is een plafondhoog beeldscherm opgehangen met aan weerszijde donkergrijze gordijnen. Eén beeld blijft op het ritme van de voorstelling in wisselende kleur- en helderheidgradaties geprojecteerd: twee uitgebloeide, pluizige paardebloemen. Blaasbloemen noemden wij ze als kind. Als je alle pluisjes in één keer wegblies mocht je een wens doen, net als met de kaarsjes op de verjaardagstaart. Achter de hoge gordijnen is de ruimte waar wensen misschien werkelijkheid worden - later kondigt de muzikant een Reward-walsje aan en mogen de geliefden even echt samen dansen als beloning voor al hun onvervulde streven. Links voor het beeldscherm staat een lage grijsgekleurde constructie, een soort estrade met twee brede treden die naar een klein platform leiden. Een altaar voor de offerrituelen van verlangen of een graftombe voor wat vervlogen is. De tijd zal het uitwijzen.
Er staan vooraan enkele microfoons waar verklaringen afgelegd en herinneringen opgerakeld worden. Dan is er de soundscape die aan het verhaal nog een laag van tijd toevoegt: ‘Shall we do our wishes at the same time so we don’t have to listen to each other?’ horen we de vrouw zeggen.

Nu is altijd

Met de eerste solo van Gehmacher herschikt zich die lezing.
Hij komt op en lijkt te aarzelen. Hij zet een wat slungelige stap naar voren en zet zich neer op de vloer, benen voor zich uitgestrekt, armen langs het lichaam. Hij spreidt zijn armen opzij en naar boven. Zijn bewegingen zijn niet vloeiend. Telkens opnieuw wordt het verloop ervan onderbroken, staat hij stil, keert terug om van daaruit opnieuw te vertrekken. Hij reikt omhoog, laat zich op z’n knieën vallen en legt wat hij ginder hoog vond hier voor zich neer . Ondertussen etaleert de vrouw zich op de treden van de tombe. Hij staat op, loopt naar het scherm, kijkt voor zich uit naar het beeld en heft opnieuw zijn armen. Zij gaat naast hem staan en imiteert zijn bewegingen. Het publiek is gebiologeerd. Ik ben ontroerd, tot tranen toe. Hoezo?

Gehmacher schudt de tijd van zich af en maakt het heden mogelijk. Hoe doet hij dat? Ik ontwaar twee ‘technieken’. Er is zijn idiomatisch repertoire van aarzelen, horten, stilstaan - evenveel manieren waarmee hij zichzelf de tijd geeft om telkens opnieuw terug te keren naar wat nu aan de hand is. Elke vorm van vertoon is overbodig: er is alleen plaats voor inkeer en kwetsbare kracht. Daar komt de tweede uitpuring in het bewegingsmateriaal van Gehmacher om de hoek kijken - wat ik hier maar zijn mental-idioom zal noemen. Hij schuifelt met ingedraaide voeten en licht gebogen hoofd voorbij ons intello’s in de zaal alsof hij niet van deze wereld is. Er gaan grote spasmen door zijn lichaam en schokkerige bewegingen die hij niet onder controle lijkt te hebben. Elke stap vooruit is eerder een vooruit vallen. Zijn blik staat op oneindig. Hij brengt het vocabularium van een disabled mind of - politiek correcter – van een andersvalide geest die we associëren met gedrag dat geen toegevingen doet aan sociale disciplinering en dat geen weet heeft van zelfbewust etaleren van ego.
Zijn voortbewegen laat zich niet opjagen door wensen en verwachtingen. Hij creëert een nexus die tijd en ruimte ontglipt. Er blijft geen ander referentiepunt dan het hier en nu in zijn lichaam.

Contrapunt

Het ‘nu’ van tijd zit in het lichaam van Gehmacher en is vanaf zijn eerste solo de kern van de voorstelling. Daar omheen doet een weefsel van herinnering en melancholie dienst als contrapunt. Het aandeel van Meg Stuart zit in de kracht en visie waarmee ze dat contrapunt accentueert: ze etaleert haar lichaam terwijl hij zich verzamelt, ze klampt zich vast terwijl hij haar verder sleept. Ze probeert zijn bewegingen te imiteren en vindt een taal om uit te drukken hoe ‘nu’ angst aanjaagt. Haar tekstsolo is een snoer van herinneringen die ze aan elkaar knoopt met telkens opnieuw de aanzet ‘Do you remember…?’. ‘OK, … One, two…’zegt ze in de microfoon om dan na een grote, heftige inademing te stokken. ‘I’m not ready!’. Ze springt weg van de microfoon en haar lichaam is één kramp van afweer. Ze komt terug: ‘It’s all around, my bravery is all around’. Even later wordt duidelijk welke vorm van dapperheid aan de orde is: ‘His eyes are wide, he’s going to explode, bravery is all around’. Op het ritme van de tekst keert ze terug in de tijd: ‘Where did they go then,then,then,then…?’
Gehmacher komt er aan en gaat op de zerk zitten met zijn rug naar de zaal. Ze plaatst zich naast hem en ook al uit hun ruggen blijkt het verschil. De hare toont zich, de zijne is ingekeerd. Het pezige, ‘dappere’ lichaam van Meg Stuart is de som van een andere (dans)geschiedenis dan het zachte, ingekeerde lichaam van Philipp Gehmacher.

Harmonie is de sleutel voor de impact van Gehmachers taal. Nu mag je zijn onderbroken en hortende beweging niet meteen rijmen met harmonie, toch is die er en zo sterk zelfs dat ze ontroert. Hij gebruikt stilstaan als ontsluitingsmechanisme zoals John Cage composities bouwt rond stilte. Elke stilte is er uniek, geïsoleerd van de herinnering aan soortgelijke momenten. Stilte is er keer op keer mogelijkheidsvoorwaarde en wordingsproces. Een musicus die de creatieve kracht ervan kan toelaten verbindt zich voor Cage met de fundamentele heterogeniteit van de Natuur. Cage haalde de boter bij de oude taoïstische gedachte van wu wei via zijn geliefde orakelboek, de Tao Te Ching. Het taoïsme ziet alle fenomenen als een organisch, verbonden geheel in een cyclisch transformatieproces dat voortdurend in beweging is. Om in harmonie te komen met dat grotere geheel wordt wu wei (niet-handelen of niet-ingrijpen) of nog, wei wu wei (bewust niet-handelen) voorgeschreven.. Gehmacher past hetzelfde procédé toe: telkens opnieuw onderbreekt hij beweging en laat toe wat aanwezig is om er elke telkens opnieuw de individuele verbinding mee aan te gaan.

In het contrapunt zit de kracht van de voorstelling. Het maximaliseert de impact van hoe hier aan de geschiedenis van gebroken en verbrokkelde beweging en lichamen, van stilstaan in dans een nieuw gegeven wordt toegevoegd. Het nieuwe open en generatieve ‘nu’-moment wordt in de verf gezet door alles wat ‘niet-nu’ is: herinnering en verlangen - de evergreens, herinneringen, het beeld van de wensbloem, woorden uit het verleden op de soundscape, de zerk/annex altaar. Tegelijk wordt duidelijk dat er geen verleden bestaat dat niet langer werkzaam is: elk verste en kleinste verleden blijkt vorm geven aan nieuwe verbindingen die van het ‘nu’ van het lichaam een voortdurend hernieuwd heden maken dat meetrilt in een voortdurend hernieuwde ruimte. Gehmacher gaat naar binnen, opent zich voor wat nu aanwezig is, integreert, herpositioneert en gaat verder, om telkens opnieuw de hele procedure te herhalen. Zo wordt bij elke stilstand ook elke herinnering, elk gegeven dat voorbij is meegenomen.

In de tekstsolo, die de voorstelling afsluit, zegt hij dat in zoveel woorden. Als hij eerst voor de ene microfoon gaat staan, en daarna voor de tweede, hoor ik iemand in de zaal zijn keel schrapen. Je had niet verwacht dat Gehmacher zou kunnen praten, maar zijn ritme is in perfecte harmonie met de muziek van de soundscape. Heel traag, in verschoven tijd, alsof hij een brief leest terwijl die geschreven wordt, zegt hij:

‘This is the moment where
I have to accept the place … place I’m in.
I want you to know
that I love and cherish you.
You gave me my beginning’.

En met die woorden wordt de aflossing aangegeven.

Bronnen

1. De solo zonder beweging die ze in 1992 maakte was een gedeeld politiek statement. De man op de vloer was de Franse criticus en programmator Jean-Marc Adolphe die in Parijs een choreografisch project organiseerde rond stilstaan als reactie tegen de oorlogen in de Golf en in Bosnie. Bron: Lepecki, André. “Still: On the Vibratile Microscopy of Dance.” ReMembering the Body. Brandstetter, Gabriele and Völckers, Hortensia (Eds). Ostfildern-Ruit: Hatje Cantz Publishers, 2000: 334-366.
2. Philipp Gehmacher in een interview met Martin Hargreaves in 2002, zoals geciteerd in: Hargreaves, Martin. “Een poging tot een goed-genoegrelaas over Philipp Gehmachers good/enough. Peeters, Jeroen (ed). Schaduwlichamen. Over Philipp Gehmacher en Raimund Hoghe. Shadow bodies. On Philipp Gehmacher and Raimund Hoghe. Maasmechelen: CC Maasmechelen, 2006: 9-26.
3. Zie ook Bernard, Michel.”Danse et musicalité: Les jeux de la temporalisation corporelle”. De la création chorégraphique. Centre national de la danse, 2001.

DE STANDAARD, Flashbacks van een verloren liefde - Danielle De Regt (09/06/2007)
DE STANDAARD, Van de regen in de pulp - Danielle De Regt (17/03/2007)
DE MORGEN, De zondvloed voorbij - Pieter T'Jonck (10/03/2007)

© Damaged Goods — info@damagedgoods.be — +32 (0)2.513.25.40