Meg Stuart
Damaged Goods
Jozef Wouters/Decoratelier
Artikels
Interviews
Workshops
CORPUS KUNSTKRITIEK, Humus voor de toeschouwer - Lieve Dierckx (04/2010)

Al twee uur voor de officiële opening van het Utrechtse Springdance Festival 2010 gaat the fault lines er in première. Niet slecht bekeken want de makers behoren ook in het veld van hedendaagse dans tot de voorhoede. Of dit laboratoriumproject op het podium thuishoort? In de juiste context graag zelfs, gezien de voorstelling nieuwe registers opentrekt in de verhoudingen tussen voorstelling en publiek. Dat laatste is des te boeiender omdat Meg Stuart en Philipp Gehmacher net de onmogelijkheid om contact te leggen als centraal thema delen in hun individuele werk.

The fault lines kiemde twee jaar geleden in Wenen, waar choreografen Meg Stuart en Philipp Gehmacher samen met videast Vladimir Miller onderzoekswerk verrichtten naar beeld, projectie en lichamelijkheid. Het resultaat werd door hun entourage interessant genoeg bevonden om te bewerken voor het podium tot een installation-performance. Die noemer geeft al iets weg want bij een installatie kan je ervan uitgaan dat ze mee door de toeschouwer bepaald wordt.

Het podium van Huis a/d Werf is afgebakend met banen neonlicht. Gehmacher en Stuart staan neutraal klaar, elk tegen een muur van de ruimte. Miller zit gehurkt voor zijn technische apparatuur, met de rug naar het publiek. Je zou al kunnen stellen: hij zit in dezelfde kijkrichting als het publiek. Links opzij een gordijn zoals in een ouderwetse fotografenstudio, hier richtpunt voor het oog van Millers camera. Ergens zoemt de motor van een 16mm filmspoel. In het midden van het podium een piepklein schermpje, amper te bekijken vanaf de eerste toeschouwersrij. Het tweede projectievlak ter grootte van een torso bevindt zich op de zijmuur, evenmin evident voor het publiek aan die kant van de zaal. Even ga je twijfelen aan de geloofwaardigheid ervan. Maar dan trekt de voorstelling zich op gang in een onmogelijk contact tussen de twee dansers. Zonder elkaar ooit aan te kijken botsen ze in allerlei toonaarden tegen elkaar op. Agressief, onverzettelijk, wanhopig, koppig op zoek, pinnen ze elkaar telkens opnieuw in houdgrepen vast. Ze leren elkaar nooit kennen: Gehmacher tast met zijn handen de omtrek van Stuarts lichaam af en zet die elders in de ruimte met lege armen neer, buiten het oog van de camera.

Vriendelijk voor de toeschouwer

Toegegeven, the fault lines oogt op het eerste gezicht minder toeschouwersvriendelijk dan Live, het eerste videoballet in de Nederlandse dansgeschiedenis uit 1979 waarmee Hans van Manen in een herneming later op de avond deze editie van Springdance officieel mag openen. Hoewel ook hij werkt met twee dansers, een camera en projectie ligt er tussen de twee voorstellingen een wereld van verschil. Dat heeft vooreerst te maken met de onderzoeksmatige discipline die hedendaagse dans nu eenmaal is, een voortdurende vraagstelling naar hoe beweging als kunstvorm kan ingezet worden – en dat op een as van stilstand naar extreme virtuositeit. Dans is hier niet geënt op een standaardtaal als in ballet. Zo refereert de bewegingstaal van Philipp Gehmacher naar geen enkele bestaand dansvocabularium. Zijn stamelende, blinde, naar binnen gekeerde idioom is enkel herkenbaar voor diegenen die zijn eerder werk gezien hebben, of in Maybe Forever (2007), een vorige samenwerking met Meg Stuart. Zij gaat in the fault lines, overigens ver mee in de bewegingstaal van Gehmacher.

Niet alleen de danstaal is minder leesbaar dan in Live. Ook de taakverdeling is weinig vanzelfsprekend. Waar in Live de cameraman de choreografie op de voet volgt doorheen de ruimte, neemt in the fault lines videast Miller het choreografische heft in handen. Een vaste camera vangt de twee choreografen/performers in beeld telkens als hun schermutselingen hen er toevallig voor leiden. Maar, wanneer vervolgens Miller via zijn beeldschermen nieuwe perspectieven biedt op hun hopeloze hardnekkigheid, gaat hij daarmee ook hun actie beïnvloeden. Omgekeerd evenredig immers met het vrijkomen van de beelden tijdens de voorstelling, worden de performers op het podium voor ons rustiger, haast teder in hun contacten. Ze zetten zich voor de camera naast elkaar neer om naar zichzelf te kijken op de schermen. Zelfs al raken hun kruisende armen elkaar in de realiteit niet, op de schermen lijken ze in elkaar te haken. In het vrijmaken van de beelden op de schermen toont Miller zijn métier. Hij werkt met verbazend ambachtelijke middelen. Zo maakt hij een gaatje in een zwarte blad voor een projector waardoor op de achterwand van het podium een minuscuul rondje betekenisloos beeld vrijkomt. Dat gaatje wordt gaandeweg opengetrokken tot de performers er levensgroot zichtbaar zijn. Even later schept hij met niet meer dan een stukje gekleurd mica in zijn hand onder dat beeld een metafoor voor een nieuw (kleuren)spectrum.

Met zijn peilende (kijk)kaders trekt Miller naast de actie in de ruimte ook de tijd open: zijn perspectief maakt zich los van de realiteit van de performers, en krijgt de sfeer van een persoonlijk of collectief onbewuste waarin de motieven voor de gedragingen van de performers besloten liggen. De (zelf)beelden leveren hen tools voor inzichten die ze niet meer met vruchteloze frustratie bij elkaar hoeven te zoeken.
Net als de beelden waarop je maar langzaam zicht krijgt, doet de weinig vanzelfsprekende opstelling van zijn schermen een realiteit vermoeden die zich niet makkelijk laat ontsluiten. De soundscape van Vincent Malstaf geeft mee klank aan verre, verborgen energieën. Ergens blaft een hond, klinken kinderstemmetjes, piept een schommel. Mooi is hoe Miller aan het einde van de voorstelling de performers terug naar hier en nu haalt door op hun beeld een krullerig landschap te tekenen en er dan met viltstift krachtige lijnen op uit te zetten, evenveel opties voor nieuwe wegen.

Die opties gelden ook voor de toeschouwer. Dertig jaar na Live is in the fault lines het perspectief niet alleen verschoven van Euclidisch naar gefragmenteerd, de voorstelling boort ook dieper naar energieën tussen disciplines en werelden, niet het minst tussen die van de voorstelling en die van de toeschouwer. In the fault lines schotelen Meg Stuart en Philipp Gehmacher ons via de tussenkomsten van Miller nieuwe kijkopties voor, weg van worstelend onbegrip (bij de performers) of passief kijken (bij de vaste camera of de klassieke toeschouwer) naar activerende betrokkenheid. We worden uitgenodigd om net als de kijkende Miller de performance binnen te halen en ze te boetseren tot een rijkere werkelijkheid. Vanuit dat oogpunt staat The fault lines mee op de barricaden voor een visie op kunst die het kunstwerk in de eerste plaats ziet als een generator voor concepten. Ach, laat dat woord concepten maar. Generator, tout court. In die zin verdient deze voorstelling alvast haar podium.


Gezien op 17 april 2010 in Huis a/d Werf - Utrecht tijdens Springdance

Deze tekst kwam tot stand in het kader van Corpus Kunstkritiek, een initiatief van VTi - Vlaams Theater Instituut, met steun van Vlaams-Nederlands Huis deBuren. www.vti.be/corpuskunstkritiek

De teksten van het Corpus Kunstkritiek vallen onder de licentie Creative Commons Attribution-Noncommercial-No Derivative Works 2.0 Belgium, wat betekent dat de teksten verspreid, maar niet veranderd mogen worden. Elke vorm van verkoop of betalende distributie is apart te onderhandelen, contacteer VTi.

CORPUS, In the Picking Field - Esther Boldt (14/04/10) [ Engels ]
GOETHE INSTITUT, The Bodies’ Desire - Dr. Gerald Siegmund (04/2010) [ Engels ]

© Damaged Goods — info@damagedgoods.be — +32 (0)2.513.25.40